Donald Trump is nu bijna een jaar terug als president. Zijn campagne bouwde op vier vaste pijlers: een sluitende grens, een betaalbare economie, een sterker leger en een efficiënter bestuur. In dat eerste jaar heeft de regering in hoog tempo beleid ingevoerd. Wat opvalt is minder de richting van het beleid, maar de manier waarop het wordt uitgevoerd en de spanning die dat oplevert binnen de politieke en juridische infrastructuur van Amerika.
Immigratie was Trumps hoofdthema en dat is zichtbaar. De regering riep een nationale noodtoestand uit aan de grens met Mexico, vernauwde de detentieregels en voerde de Laken Riley Act in. Volgens het Witte Huis zijn illegale grensovergangen fors gedaald. Onafhankelijke cijfers laten inderdaad een daling zien, maar verschillen in tempo en omvang.
Het meest ingrijpende voorstel, het beëindigen van geboorte-burgerschap voor kinderen van illegale migranten, werd door federale rechters tijdelijk geblokkeerd. Daarmee werd zichtbaar waar de grenzen van de uitvoerende macht liggen. Bovendien ontstaan er grote spanningen met staten als Texas, die hun eigen grensbeleid willen doorzetten. Het federale en statelijke niveau botsen openlijk, wat een ongebruikelijke situatie is voor migratiebeleid.
De regering wijst op lagere inflatie, stabielere prijzen voor basisproducten en belastingvoordelen voor werknemers met lage- en middeninkomens. Toch blijven structurele kostenposten, zoals zorgpremies en huur, hard stijgen.
Economische analisten benadrukken dat internationale ontwikkelingen, eerdere wetgeving en de normalisatie van energiemarkten minstens zo zwaar wegen als nieuw beleid. Daardoor blijft de vraag in hoeverre het economische herstel aan de huidige regering kan worden toegeschreven. Het beeld is positief, maar niet eenduidig.
Trumps beleid richtte zich vooral op medicijnprijzen. Via een most-favoured-nation-model wil de regering voorkomen dat Amerika meer betaalt dan vergelijkbare landen. Volgens het Witte Huis zijn de eerste prijsdalingen zichtbaar; onafhankelijke onderzoeken signaleren vooruitgang, maar nog geen breed patroon.
De structurele problemen van het Amerikaanse zorgstelsel blijven grotendeels buiten beeld. Het beleid is in essentie prijsgericht, niet systeemgericht.
De militaire modernisering verloopt snel. De defensiebegroting is verhoogd, diversiteitsprogramma’s zijn afgeschaft en er is financiering toegekend voor de Golden Dome, een nieuw raketverdedigingssysteem. Wat minder zichtbaar wordt benadrukt: de beloofde terughoudendheid in buitenlandse operaties blijft uit. Amerikaanse aanvallen op Houthi-doelen en andere regionale taken gaan door. Hierdoor ontstaat een kloof tussen strategische retoriek en feitelijke inzet.
Trumps wederkerige tarieven zijn bedoeld om landen als China, Mexico en Canada onder druk te zetten en productie terug naar Amerika te halen. Voorstanders zien dit als een noodzakelijke correctie, maar critici waarschuwen dat hogere tarieven eenvoudig kunnen doorwerken in consumentenprijzen. De langetermijneffecten zijn nog niet bekend, maar bedrijven waarschuwen dat de onzekerheid groeit, vooral voor sectoren die afhankelijk zijn van internationale toeleveringsketens.
Op Social Security en Medicare is in het eerste jaar niet gekort. Trump houdt zich daarmee aan een belangrijke belofte aan oudere Amerikanen. Tegelijkertijd blijft de vraag hoe lang de programma’s financieel houdbaar zijn zonder aanvullende hervormingen. De regering schuift die discussie voor zich uit.
De grootste verschuiving in Trumps eerste jaar ligt echter niet in concreet beleid, maar in de omgang met de democratische infrastructuur.
Maatregelen die verder gaan dan bestaande wetgeving, zoals het beëindigen van geboorte-burgerschap, zijn door rechters tijdelijk tegengehouden. Trumps reactie daarop, die regelmatig neerkomt op het presenteren van juridische tegenslag als politieke obstructie, zet druk op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Dat is een breuk met de rolverdeling tussen uitvoerende en rechterlijke macht.
Nieuwe federale regels voor verkiezingsintegriteit botsen met de grote autonomie die staten hebben in het organiseren van verkiezingen. Meerdere staten bereiden juridische stappen voor. Hierdoor ontstaat een test voor de grondwettelijke verhoudingen: wanneer botst beleid met de letter van de Grondwet en wie beslist daar uiteindelijk over?
De regering werkt actief aan meer politieke controle over de ambtelijke top. Herschikkingen en het vervangen van senior-functionarissen door loyale benoemingen versterken dat proces. Critici zien hierin een risico voor de continuïteit en professionaliteit van de uitvoerende macht.
Het optreden tegen studenten en medewerkers van universiteiten die volgens de regering steun betuigen aan buitenlandse extremistische bewegingen, inclusief het intrekken van visa, leidt tot zorgen over academische vrijheid. Het voorschrift dat federale gebouwen klassieke architectuur moeten omarmen is minder ingrijpend, maar illustreert dezelfde tendens: een federale overheid die niet alleen bestuurt, maar ook normerend optreedt in het culturele domein.
Trumps eerste jaar laat een duidelijke beleidsrichting zien: strengere migratie, hogere defensie-investeringen, druk op de internationale handelspartners en pogingen om economische lasten te verlichten. Een deel van het beleid werkt door, een deel blijft juridisch kwetsbaar of afhankelijk van externe omstandigheden.
Het scherpste effect ligt echter niet in cijfers of beleidsnota’s, maar in de manier waarop de regering zich verhoudt tot de democratische infrastructuur. De grens tussen politieke doelstelling en institutionele norm wordt vaker opgezocht, soms overschreden en dat creëert een spanningsveld dat bepalend kan worden voor de rest van Trumps tweede termijn.
De aanval op een soeverein land is in strijd met het internationaal recht. Amerika heeft het recht niet om een ander land binnen te vallen en de president te ontvoeren. Het Congres was niet ingelicht en dat dient toestemming te geven voor een degelijke operatie. Maar Trump heeft daar maling aan. Hij heeft weinig op met internationale regels en luistert alleen naar mensen die hem influisteren. Het gaat dan om de minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio en de minister van Defensie Pete Hegseth.
Voor de Democraten zijn de verkiezingen van 2026 een toets van relevantie. De partij moet laten zien dat zij niet alleen oppositie kan voeren, maar ook een samenhangend alternatief kan formuleren dat verder reikt dan afkeer van Trump. Interne verdeeldheid, strategische keuzes en de verhouding tot progressieve bewegingen zullen daarbij doorslaggevend zijn.
Mamdani, die slechts 34 jaar is, vertegenwoordigt een nieuwe generatie kiezers. Die jonge kiezers (18–35 jaar) zijn op economisch en sociaal vlak over het algemeen progressief. Mamdani is de belichaming van deze generatie en een verschuiving naar links zou kunnen zorgen voor aansluiting bij deze nieuwe groep kiezers. Deze kiezersgroep is belangrijk, omdat zij de komende decennia cruciaal zijn om electorale meerderheden te behalen.